Home » Inleidingen » Overige inleidingen » Gods opdracht

Gods opdracht

Gods opdracht. (on)mogelijk!? Marinda. Inleiding JV 4 februari 2011
 
Zingen: Psalm 84 vers 5 en 6
Lezen: Mattheus 22
 
Afscheidswoorden hebben iets bijzonder plechtigs. Als een vader zijn kinderen rondom zijn bed verzamelt omdat hij voelt dat hij sterven gaat en hij hen zijn laatste adviezen geeft, de laatste die zij uit zijn mond horen, dan kun je er zeker van zijn dat deze kinderen zich die woorden blijven herinneren. Of als je afscheid neemt van een vriend die voor vele jaren naar een ver land gaat, dan zul je veel van wat hij ooit gezegd heeft vergeten, maar zijn afscheidswoorden zul je blijven herinneren.
 
Ook in de Bijbel lees ik van afscheidswoorden. Jacob (of Israël), die zijn zonen toe spreekt en zegent voor dat hij sterft. En hen ook gebied dat ze hem zullen begraven bij zijn vaderen. Ook lees ik in Genesis 50 dat Israëls’ zonen dit laatste gebod van hun vader inwilligen door hem te begraven in Kanaän. Ik denk ook aan het afscheid van David en Jonathan, dat je kunt lezen in 1 Samuël 20. Als Jonathan een verbond sluit met David, voor Gods aangezicht, dat David hem en zijn nageslacht niet zal doden om het geweld en ongelijk van zijn vader Saul te vergelden. David zal veel gedacht hebben aan dit afscheid van zijn vriend. Veel later, als David koning is geworden komt dit verbond terug. Het is de gewoonte dat alle nakomelingen van de vijand of vorige koning gedood zullen worden. Maar in 2 Samuël 9 zien we dat David zijn verbond met Jonathan zeer zeker niet vergeten is. Hij zoekt zelfs naar nakomelingen van het huis van Saul, ‘zo ik weldadigheid aan hem doe, om Jonathans wil’.
 
Voorbeelden te over. Wellicht denk je ‘het zal wel, wat heb ik er aan? Dat is van vroeger, niet voor mij!’. Toch lees ik in de Bijbel ook van afscheidswoorden die wel voor jou en mij bedoeld zijn. Ik zal het je voorlezen. In Handelingen 1 vers 8 zegt Jezus: ‘En gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem als in geheel Judea en Samaria en tot aan het uiterste der aarde.’ Vanavond wil ik met jullie nadenken welke betekenis deze afscheidswoorden van Jezus hebben en wat dat voor nu, voor ons, betekent.
 
Zojuist lazen we het afscheidswoord van de Zaligmaker. Dit is een van de laatste gesprekken die Hij met Zijn discipelen had. Hij ging een lange reis maken, ver boven alle hemelen, in de nabijheid van God Zelf, want de hemel moet Hem ontvangen tot de wederkomst. Hij stond op het punt om naar een vergelegen en veel beter land te gaan. Hij zou naar Zijn Vader en de Vader van de discipelen gaan, naar Zijn God en hun God. Maar Hij wilde niet gaan zonder het afscheidswoord voor hen na te laten: ‘Gaat heen in de gehele wereld, predikt het evangelie aan alle creaturen.’ zoals Markus ze beschrijft. Toen Jezus met Zijn discipelen naar de Olijfberg ging, om uit hun midden weggenomen te worden, sprak Hij zijn afscheidswoorden. Als Jezus ook jouw Vriend en Zaligmaker is, dan zal je ook Zijn geboden willen onderhouden. Dan zal het je wens zijn om volmaakt te leven voor Hem. Dan zal het ook jouw verlangen zijn om Zijn gebod te onderhouden als hij zegt:‘Gaat heen…’. Zo moet het ook met de discipelen geweest zijn toen de wolk Hem van hun ogen had weggenomen. Wellicht zullen ze gezegd of gedacht hebben: Misschien vergeten we wel veel van wat Hij ons verteld heeft, maar déze laaste woorden zullen we nooit vergeten!’. Hoe zit dat bij ons? Zijn deze woorden jou en mij zo dierbaar, zo onuitwisbaar in ons hart, omdat het Jezus’ afscheidswoorden zijn?
Zojuist zei ik al ‘als Jezus ook jouw Vriend en Zaligmaker is, dan zal je ook Zijn geboden willen onderhouden’. Het is toch zo dat wij niet zonder Hem als Zaligmaker kunnen? Het is toch niet vreemd dat we er van uit moeten gaan dat deze boodschap ook ons geldt? We hebben toch de plicht om bekeerd te zijn, want alleen dan is er leven! Moet je per se bekeerd zijn, om een getuige van Christus te kunnen zijn? Is het nodig om eerst zelf gered te worden van de dood, voordat je heen kunt gaan in de wereld om het Woord te verkondigen?
Het is niet mijn bedoeling jullie wijs te maken dat je zelf aan God nog gebod hoeft te doen om anderen niet het evangelie te kunnen verkondigen. Maar hoeveel mensen zullen er onder Judas’ prediking tot God gekomen? Ook hij was een discipel van Jezus terwijl hij Hem later toch verraden heeft. Je begrijpt wel, je kunt je niet verschuilen achter de gedachte dat dit gebod jou niet geldt omdat je niet bekeerd zou zijn. Juist dan komt er nu een extra druk op. Je móet Christus getuige zijn, maar hoe kun je van Hem getuigen als je zelf belijdt dat je Hem niet nodig hebt?
Boven de inleiding staat: ‘Gods opdracht. (on)mogelijk!?’. Vraag je dit jezelf wel eens af? Of zien we er geen reden toe om aan het bevel om alle volken het evangelie te verkondigen gehoor te geven? Christus zelf gaf dit bevel! Dit laatste gebod van de scheidende Zaligmaker, hoe weinig reden we er zelf ook toe zien, moeten we gehoorzamen! De Leidsman is zo oneindig veel wijzer dan wij, we moeten geen loopje wíllen nemen met Zijn woorden.
Het is wel goed om deze woorden nog verder toe te lichten. Je zult begrijpen dat het niet zo is dat iedereen nu de wereld in moet gaan om het Evangelie te verkondigen, niet dat we nu allemaal zendingwerkers moeten worden bijvoorbeeld. Je zou kunnen zeggen, dit gebod moeten we niet enkel naar de letter nemen, maar ook naar de geest gehoorzamen. Wat ik daarmee bedoel? Iedere christen hoort betrokken te zijn bij het verkondigen van het evangelie. Iedere christen moet in zijn gebed de verkondiging van het Evangelie bepleiten. Iedere christen moet doen, wat zijn hand vindt om te doen. Je zou ook kunnen zeggen, iedere christen moet zijn oog vestigen op een veel groter doel, namelijk de bekering van de wereld!
Vooraf lazen we Mattheüs 22. Is het niet veel betekenend dat de dienstknechten uit de gelijkenis van de Koninklijke bruiloft uiteindelijk uitgingen op de wegen om daar een ieder die zij tegen kwamen te roepen tot de bruiloft?
 
Hoe ziet dat verkondigen van het Evangelie er anno 2011 uit? Uit statistieken van Wycliffe Bijbelvertalers blijkt dat er in nog ruim 2078 verschillende talen een Bijbelproject gestart moet worden daar zij nog niet een deel van de bijbel in hun eigen taal hebben. We spreken dan over zo’n 350 miljoen mensen die geen bijbel of Bijbelgedeelte tot hun beschikking hebben in hun eigen taal.
De organisatie roept mensen op hun hulp in te zetten om zo het vertalen van Bijbels te bevorderen. Daarnaast doen zij een oproep hen te ondersteunen doormiddel van giften en gebed. Daarmee worden concrete dingen genoemd over hoe je invulling kunt geven aan je taak als ‘getuige zijn’.
 
Maar ook andere organisaties zetten zich in om de opdracht ‘getuige te zijn’ invulling te geven. Denk aan Tear, een organisatie tegen armoede. Tear wil wereldwijd kerken mobiliseren tegen armoede en onrecht en daarmee mensenlevens veranderen. Of Woord & Daad. Woord en Daad wil vanuit christelijk perspectief armoede bestrijden in Afrika, Azië en Midden-Amerika. Via lokale organisaties streven zij ernaar armen een menswaardig bestaan te bieden. Hierbij doen zij een appel op ieders verantwoordelijkheid, zowel hier als daar.
 
Overigens zijn er nog vele andere organisaties die zich inzetten voor hulp wereldwijd, terwijl lang niet al die organisaties ook het verkondigen van het Evangelie als hun taak zien. Wat goed is om te noemen, is dat ook de Verenigde Naties aandacht besteden aan hulp. In september 2000 hebben de toenmalige 189 lidstaten van de VN de Millenniumverklaring getekend. In deze verklaring zijn 8 zogenoemde millenniumdoelen opgenomen. Voor 2015 moet hiermee belangrijke voortgang zijn geboekt op het gebied van armoede, onderwijs, gezondheid en milieu. De onderwerpen van de millenniumdoelen zijn niet nieuw. Maar wel nieuw is dat voor het eerst een internationale afspraak is gemaakt met concrete, meetbare doelen. Elk jaar wordt de voortgang gemeten en internationaal gerapporteerd. Zo kan tussentijds druk worden uitgeoefend op zowel de rijke als arme landen om hun inspanningen te vergroten. 
De acht millenniumdoelen staan centraal in het Nederlandse beleid voor ontwikkelingssamenwerking. Ook Nederlandse ontwikkelingsorganisaties zetten zich in voor het realiseren van de millenniumdoelen.
Ter illustratie: in 1990 stierven 12,4 miljoen kinderen voor hun 5delevensjaar. Millenniumdoel 4 houdt in dat in 2015 het percentage kinderen dat voor hun vijfde jaar overlijdt met tweederde zijn teruggebracht ten opzichte van 1990.
Of millenniumdoel 1: Het percentage mensen dat in extreme armoede leeft, moet in 2015 ten minste voor de helft zijn teruggebracht ten opzichte van 1990. Extreme armoede betekent dat iemand minder dan $1,25 per dag te besteden heeft. In 1990 leefden 1,8 miljard mensen in extreme armoede, oftewel 41,7 procent van de wereldbevolking.
 
Wat ik hiermee wil zeggen? Zowel mensen met als zonder christelijke identiteit zetten zich in voor een ‘betere’ wereld. Als ik nu naar mezelf kijk, hoeveel tijd en geld steek ik in de zorg voor mijn naasten?
Daarnaast hebben wij als christenen een extra taak, namelijk getuige zijn van Christus. Voor hoeveel mensen ben ik een middel geweest, als getuige van Christus, om tot God te komen?
 
Kom ik weer terug bij ‘Gods opdracht, (on)mogelijk!?’.
Ik geloof dat het zeker mogelijk is om, met Gods kracht, invulling te geven aan Gods opdracht in je leven. Maar belangrijker nog, zegt Jezus hierover Zelf in Mattheüs 10 vers 32: Een iegelijk dan, die Mij belijden zal voor de mensen, dien zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.
 

 

Zingen: ‘Wat de toekomst brenge moge’
 
Wat de toekomst brengen moge,
Mij geleidt des Heeren hand;
moedig sla ik dus de oogen
naar het onbekende land.
Leer mij volgen zonder vragen;
Vader, wat Gij doet is goed!
Leer mij slechts het heden dragen
met een rustig kalmen moed!
 
 
Heer, ik wil Uw liefde loven,
al begrijpt mijn ziel U niet.
Zalig hij, die durft gelooven,
ook wanneer het oog niet ziet.
Schijnen mij Uw wegen duister,
zie, ik vraag U niet: waarom?
Eenmaal zie ik al Uw luister,
als ik in Uw hemel kom!

 

 
Zingen: Psalm 95 vers 3 en 4